User:Wilfred J. Poppinga/Notebook/Wilfreds Project/2009/07/10

From OpenWetWare

Jump to: navigation, search

Biological Safety Main project page
Previous entry      Next entry

Synthetic Biology:SB2.0/Biosecurity resolutions

Synthetic biology is currently attracting much interest, probably because some researchers are making exciting claims about the potential applications of synthetic organisms, for which the sky appears to be the limit. Whether these high expectations will ever be met remains questionable. But the fact remains that various organisations have been spurred on to examine this mater in more depth. The House of Representatives has also considered the subject and the environment minister has asked COGEM several questions. The minister has asked COGEM to report, among other topics, on the suitability of the current GMO risk analysis for applications of synthetic biology (particularly synthetic organisms), the monitoring of developments within the research field and the ethical and societal implications of synthetic biology. She has also asked COGEM how government can best facilitate public discussion about this technology.

Global

Mondiaal
Verdrag inzake biologische diversiteit
Het biodiversiteitsverdrag is na drie jaar onderhandelen in 1992 op de Earth Summit in Rio de Janeiro geopend voor ondertekening. Dit VN-verdrag is vervolgens op 29 december 1993 in werking getreden. Er zijn inmiddels 180 staten partij bij het verdrag, inclusief Nederland en de Europese Unie. Het doel van het verdrag is het behouden van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de eerlijke en billijke verdeling van opbrengsten die voortvloeien uit het gebruik ervan. Biodiversiteit is de verscheidenheid van het leven op aarde, op het niveau van genen, soorten en ecosystemen. De waarde van biologische diversiteit wordt hierbij niet alleen vanuit het perspectief van de mens bekeken, maar ook vanuit het perspectief van de eigen, intrinsieke waarde van de natuur. Het verdrag verplicht partijen om nationale strategieën te ontwikkelen als kader voor concrete activiteiten. De strategie voor biologische diversiteit van de Nederlandse overheid is opgebouwd uit de beleidsplannen voor natuurbeheer, ruimtelijke ordening, milieu, water en ontwikkelingssamenwerking en het Strategisch Plan van Aanpak Biologische Diversiteit. Bekijk het verdrag inzake biologische diversiteit op http://www.biodiv.org/convention/articles.asp?lg=0

Cartagena-protocol (Biosafety Protocol)
Het Cartagena-protocol inzake bioveiligheid, ook wel Bioveiligheidsprotocol (Biosafety Protocol, BSP) genoemd, is een uitvoerend protocol onder het VN-verdrag inzake biologische diversiteit (zie hierboven). Het protocol is op 11 september 2003 van kracht geworden. Het protocol heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de veiligheid bij de verplaatsing van, handelingen met en gebruik van ggo's, die mogelijk de bescherming en het duurzaam gebruik van de biodiversiteit in gevaar kunnen brengen. Het bevat voornamelijk regels over de grensoverschrijdende verplaatsing van ggo's. Het protocol schrijft voor dat in het geval van grensoverschrijdende verplaatsing van levende ggo's die bedoeld zijn voor introductie in het milieu (voor bijvoorbeeld veldproeven) de exporteur vooraf het land van import moet informeren over de voorgenomen verplaatsing, en moet wachten op instemming van het land van import (dit heet de 'advanced informed agreement'-procedure, ofwel AIA-procedure). Voor grensoverschrijdend transport van ggo's die als voedsel of diervoeder zullen worden gebruikt, of direct in producten zullen worden verwerkt, wordt met het protocol een informatieuitwisselingspunt in het leven geroepen (het BioSafety Clearing House, BCH). Momenteel hebben 130 landen het protocol geratificeerd. Download het Cartagena-protocol op http://www.biodiv.org/doc/legal/cartagena-protocol-en.pdf.

Aarhus-verdrag
Het Aarhus-verdrag gaat over de toegang tot milieu-informatie, participatie bij besluitvormingsprocessen over milieuzaken en toegang tot de rechter bij milieuzaken. In het verdrag is een bepaling opgenomen over ggo's (het elfde lid van artikel 6). Daarin staat dat landen binnen hun eigen wetgeving, daar waar mogelijk en toepasbaar, het publiek moeten betrekken bij de besluitvorming over de introductie in het milieu van ggo's. Nederland voldoet aan dit lid, omdat bij de introductie in het milieu van ggo's de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze wet regelt de inspraak van burgers in bestuurlijke besluitvorming. Over de uitwerking van dit lid wordt onderhandeld in de werkgroep Aarhus and gmo's. VROM is verantwoordelijk voor de besluitvorming rond de introductie in het milieu van ggo's en neemt deel aan deze onderhandelingen. Nederland heeft het verdrag in 2005 geratificeerd. Voor meer informatie over het Aarhus-verdrag: http://unece.org/env/pp/gmo.htm en http://www.infomil.nl/aarhus.

European

EU-verordeningen

Verordening (EG) nr. 1830/2003 heeft betrekking op de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG Bekijk of download deze verordening: http://europa.eu.int/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexapi!prod!CELEXnumdoc&lg=NL&numdoc=32003R1830&model=guichett Verordening (EG) nr. 1829/2003 heeft betrekking op genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders Bekijk of download deze verordening: http://europa.eu.int/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexapi!prod!CELEXnumdoc&lg=NL&numdoc=32003R1829&model=guichett Verordening (EG) nr. 1946/2003 inzake grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen. Bekijk of download deze verordening: http://europa.eu.int/smartapi/cgi/sga_doc?smartapi!celexapi!prod!CELEXnumdoc&lg=NL&numdoc=32003R1946&model=guichett


The Dutch situation

De moderne biotechnologie maakt het mogelijk om genetisch materiaal van heel verschillende soorten organismen te vermengen. Zo kan een plant een gen van een bacterie krijgen. Dat kan mogelijk onbedoelde gevolgen die pas veel later zichtbaar zijn. Ze kunnen bijvoorbeeld allergieën veroorzaken of problemen voor insecten die nodig zijn voor het voortbestaan van een plant. Daarom is het nodig om zorgvuldig te zijn bij onderzoek en toepassing van biotechnologie. Want als de aangepaste organismen eenmaal in het milieu zijn gebracht kunnen ze zichzelf vermenigvuldigen. Dat zou een genetische veranderingen onomkeerbaar maken .

The legislation around biotechnology in the Netherlands is largely build around European guidelines and decrees. The main subjects in this legislation is to guarantee:

  • Safety of man, animal and environment
  • Protecting the consumer and fair trade

Working with genetically modified organisms (GMO's) in the Netherlands is prohibited without a permit. The Ministry of housing, Spatial Planning and the Environment grants these permits, on grounds of the decree Genetically modified organisms, as it is the primary authority on this subject. The decree Genetically modified organisms is supplemented by the sanction Genetically modified organisms containing specifications for rules, general safety precautions and facility and workrequirement. However the lab facility should also follow the decree for arrangement- and permits environmental management.
VROM werkt samen met de ministeries van:

Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Economische Zaken, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Buitenlandse Zaken Justitie Deze ministeries zijn vertegenwoordigd in het Interdepartementaal Overleg Biotechnologie (IOB). Zij bespreken hierbij actuele zaken en de voortgang van projecten met biotechnologie.
Het totale beleid voor biotechnologie staan in de Integrale nota biotechnologie uit 2000. Hierin hebben de betrokken ministeries samen het beleid voor biotechnologie vastgelegd. Het uitgangspunt is dat Nederland de gunstige mogelijkheden en toepassingen van biotechnologie onderzoekt en stimuleert, maar het wel veilig en maatschappelijk-ethisch aanvaardbaar zijn.
De Commissie Genetische Modificatie (Cogem) geeft technisch-wetenschappelijk advies aan VROM over activiteiten met ggo's. Preciezer gezegd: de Cogem adviseert over de risico's voor mens en milieu van toepassingen van ggo's en over de veiligheidsmaatregelen die nodig zijn voor bescherming van mens en milieu. Cogem informeert ook over ethisch-maatschappelijke kwesties van genetische modificatie. De minister kan advies aan de commissie vragen, maar de commissie kan ook zelf (ongevraagd) een advies opstellen. De taken van de Cogem zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer. WASTE

Het Nederlandse antibioticum-resistentiebeleid

Antibioticum-resistentie betekent dat een organisme, zoals een ziekteverwekkende bacterie, tegen een antibioticum bestand is. Een antibioticum is een product dat die bacteriën doodt of de groei ervan stil legt. Als het antibioticum geen invloed op die bacterie heeft, dan is de bacterie antibioticum-resistent. Zie ook: Bacteriën en antibiotica-resistentie (Kennislink.nl)

Sommige planten bevatten na genetische aanpassing genen die resistent zijn tegen bepaalde antibiotica. Onderzoekers gebruiken die resistentiegenen als extra middel bij genetische modificatie. Zij kunnen die resistentiegenen gebruiken om te zien of hun genetische modificatie gelukt is. Samengevat veranderen ze dus bepaalde genen en voegen daar extra resistentiegenen aan toe om na te kunnen gaan of de genetische aanpassing goed is gelukt.

In theorie is het mogelijk dat dit gen via de plant wordt overgedragen op dieren en mensen. Dat zou een risico kunnen zijn voor mensen, maar onderzoek heeft aangetoond dat het extra risico op resistentie door genetische manipulatie te verwaarlozen is.

De Integrale Nota Biotechnologie behandelt antibioticum-resistentie en de mogelijke risico’s ervan in paragraaf 6.1. Samengevat staat er het volgende. De vraag is of de genetisch aangepaste planten de ziekteverwekkende bacteriën naar mensen of dieren kunnen overdragen. Ze zouden ze bijvoorbeeld in hun maagdarmkanaal kunnen krijgen als ze planten eten. Dat heet ‘horizontale overdracht’: de overdracht van genen, ziekten of ziekteverwekkers van het ene individu naar het andere. (Verticale overdracht is de overdracht naar een volgende generatie.) Dat zou kunnen leiden tot meer resistentie en zouden antibiotica minder inzetbaar zijn in de gezondheidszorg.

Maar onderzoekers hebben deze horizontale overdracht slechts een enkele keer waargenomen en dan alleen bij proeven die onjuist zijn uitgevoerd. Dit betekent dat zij uit deze experimenten geen conclusies kunnen trekken over horizontale overdracht.

Toch zou horizontale overdracht in theorie kunnen voorkomen bij grootschalige, commerciële toepassingen. Verschillende wetenschappelijke instellingen in binnen- en buitenland hebben dit risico bestudeerd. Zij schatten de kans op overdracht zeer gering in. Uit voorzorg bevelen de meeste instanties aan om resistentiegenen uit betreffende planten te verwijderen voordat de planten grootschalig in het milieu in te brengen. Ook adviseren ze geen genen te gebruiken die planten resistent maken tegen antibiotica die nog voor de gezondheidszorg belangrijk zijn.

Het kabinet heeft in de Integrale Nota Biotechnologie vastgelegd dat genetisch aangepaste organismen met antibioticum-resistentiegenen niet meer grootschalig op de markt mogen komen. Dit mag alleen bij kleinschalige veldproeven met de genen ‘nptII’ en ‘hpt’. Deze twee genen leiden tot resistentie tegen antibiotica die niet meer van belang zijn voor de humane en dierlijke gezondheidszorg.

De Europese Richtlijn 2001/18 (pdf) regelt de introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen. Deze richtlijn staat het gebruik van antibioticum-resistentie geleidelijk moet stoppen. Daarvoor is een Europese werkgroep opgericht die met voorstellen komt. VROM neemt namens de Nederlandse overheid deel aan deze werkgroep.

University of Groningen

Within the University of Groningen the organization of biological safety, including all activities that are carried out with genetically modified organisms (GMOs), is the legal responsibility of the Board of the University of Groningen. The University Board thus acts as the notifier in all GMO-related research where notification is required. The Faculty Boards have been mandated by the Board of the University to implement the rules as set out in the GMO Regulations within their own faculty.

Within the University of Groningen, biological safety is ensured on the central level by a biological safety organization comprising the biological safety officers (BSO) as well as a staff member of the Health, Safety and Environment Service (HSE). The HSE coordinates the notifications, maintains the register and, in cooperation with the BSO, advises the Faculty Boards and the University Board in the field of biological safety. The central organization is complemented on the local level by responsible officers.

BSO officers are appointed by the University Board on the recommendation of the Faculty Boards. In order to be considered for this position, BSO officers must have been approved by the Ministry of VROM on the basis of the qualifications as set out in the GMO regulations. BSO officers are members of the staff office and can report directly both to the University board and their own faculty.

For each project a responsible officer will be appointed by the University Board on the recommendation of the Faculty Board. This officer is responsible for various aspects, including day-to-day matters concerning the activities involving genetically modified organisms.

Floating metaluptaking bacteria in drinking water

  • Would any of your project ideas raise safety issues in terms of:
    • researcher safety,
    • public safety, or
    • environmental safety? European Dutch
  • Do any of the new BioBrick parts that you made this year raise any safety issues?
    • If yes, did you document these issues in the Registry?

Onderzoekers moeten voordat met biotechnologie aan de slag gaan de risico’s in kaart brengen. Dat heet een risicoanalyse. Ze kijken dan naar:


wat de mogelijke ongewenste gebeurtenissen zijn die kunnen optreden; wat de kans of de waarschijnlijkheid is dat die ongewenste gebeurtenissen optreden; welke maatregelen ze kunnen nemn om die kans te verkleinen en om de gevolgen te beperken.

Of een risico aanvaardbaar is, berust in de eerste plaats op de resultaten van dit onderzoek. Daarnaast kunnen zij andere dingen laten meetellen, zoals de voordelen of de gevoelens in de samenleving zijn. Deze overwegingen zijn belangrijk, maar zijn geen deel van het onderzoek. Ze komen pas aan bod na de risicoanalyse. Deze analyse is in de Nederlandse wet opgenomen. Het staat in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen.

Lead in drink water platinum mercury GMO food GMO food2 GMO food3 RIKILT/RIVM, het onafhankelijke Nederlands voedselveiligheidsinstituut


10 commandments for VMT

Do's and Don'ts of Good Lab Citizenship

  1. All VMT (veilige microbiologische technieken, English: safe microbiological techniques) related work can only be performed by those people that have permission from the Biological Safety Officer (BVF). Work according to the rules, even if you believe there is no apparent risk.
  2. During VMT related work all doors and windows have to be closed. Verify that insects and other pests are not present in the lab.
  3. Wear a closed labcoat. Do not take this labcoat outside the VMT area unless it is absolutely necessary for the experiment. In case of a contamination of the labcoat, sterilize the labcoat first, with bleach or autoclaving, before washing.
  4. Clean and sterilize spills immediately. Report serious contamination immediately to the BVF.
  5. It is absolutely prohibited to eat, drink or smoke, or to have cups, plates, mugs or silverware in the VMT area.
  6. Pipetting by mouth is prohibited. Used pipets are collected in a disinfecting solution.
  7. Prevent aerosols. These may be created by - splashing drops; - pouring of liquids; - discharging pipettes; - opening of moist plugs; - using inoculating loops that are too hot. Use needles only if there is absolutely no alternative.
  8. Glassware and instruments that have been in contact with GMO's (Genetically Modified Organisms, GGO's in Dutch) have to be sterilized or desinfected before being washed, reused or discarded. Biological waste has to be collected in autoclavable plastic bags, which are autoclaved before discarding (use indicator tape to demonstrate that the bag was autoclaved).
  9. Wash hands with soap and water after work and before leaving the room. Bench surface areas have to be cleaned and desinfected daily. Keep area clean and organized.
  10. Record the general nature of the work clearly in a labjournal.

ETHICS

Ethiek
Spreken we over de ethische aspecten van biotechnologie, dan bedoelen we meestal de waardigheid van mens en dier. Dit zijn zogeheten beginsel-ethische aspecten. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) beoordelen dat. VROM kijkt hier niet naar, maar houdt alleen rekening met ethische gevolgen zoals duurzaamheid, veiligheid, gezondheid en vrijheid. Daarom toetst VROM risico's voor mens en milieu en maakt het zich sterk voor vrijheid van informatie (transparantie) en keuzevrijheid voor de consument (etikettering). Lees meer over zorgvuldig en verantwoord toetsen


International organisation

The Biosafety Clearing-House

National organisation

Dutch legislations regarding biotechnology
Biosafety bibliographic database
The Association BVF Platform
GMO’s in the environment

Bureau of GMO’s

Committee on Genetic modification
The Ministry of housing, Spatial Planning and the Environment

biotechnology

Dutch society for microbiology

Institutional organisation

Biosafety at the University of Groningen

logoMilieu.gif 3logo1.gif logoBioHazard.gif


Personal tools